Goethe en Beethoven in Teplitz.

De voortreffelijke website Goethezeitportal heeft deze maand een buitengewoon fraai artikel gepost met als titel "Beethoven auf alten Postkarten - Eine Dokumentation". Ruim 100 - doorgaans minder bekende - afbeeldingen van Beethoven online.

Goethe en Beethoven: wat hebben deze twee grootheden met elkaar te maken?
Beethoven was al lang een "fan" van Goethe:

Seit meiner Kindheit kenne ich Sie

schreef hij op 12 april 1811 aan Goethe. Hoever die "Kindheit" teruggaat is niet duidelijk, maar Beethovens eerste composities naar Goethe's werk zijn uit 1790 - Beethoven (1770-1827) is dan ca 20 jaar. De aria "Mit Mädeln sich vertragen" (WoO 90) (uit het Singspiel "Claudine von Villa Bella") en het lied "Marmotte", Op.52,4 (uit het Singspiel "Jahrmarktsfest von Plundersweilen") zijn de oudst overgeleverde werken van Beethoven naar Goethe's teksten, maar snel na het verschijnen van "Faust. Ein Fragment." (januari 1790), maakte Beethoven als wellicht de eerste componist een schets voor een toonzetting van het "Flohlied" van Mephisto. Deze schets zou hij, in 1809, opnieuw uitwerken (Op.75,3). Rond 1795-1796, Beethoven heeft dan inmiddels ook interesse opgevat voor Schillers "Ode an die Freude", dat zo'n 30 jaar later het sluitstuk van de 9e symfonie zou worden, werkt hij aan ontwerpen voor "Heidenröslein", "Rastlose Liebe" en "Erlkönig" (WoO 131), die onvoltooid blijven; wel weet hij "Bundeslied" (ca. 1795, op. 122) en "Maigesang" (ca. 1796?; op. 52,4) te voltooien.
Ander vroeg werk van Beethoven op teksten van Goethe:

1798/99 Neue Liebe, neues Leben WoO 127
1799/1804 Ich denke dein WoO 74
1808 Sehnsucht WoO 134
1809 Kennst du das Land op. 75,1
1809 Neue Liebe, neues Leben (2. Fassung) op. 75,2
1809 Aus Goethes Faust (Flohlied) op. 75,3

De enige echt grote toonzetting van Beethoven naar een Goethetekst is de toneelmuziek voor "Egmont" uit 1809/1810, op. 84. Goethe had Egmont in 1787 tijdens zijn Italiaanse reis in Rome voltooid en de muziek al door zijn "hofcomponist" Philipp Christoph Kayser (1755-1823) laten componeren. Kayser was Goethe zelfs naar Rome achterna gereist om daar in Goethe's nabijheid aan Egmont te werken. Ondanks Goethe's enthousiasme voor Kaysers muziek was de muziek niet werkzaam voor de Bühne en Kaysers opvolger, Johann Friedrich Reichardt (1752-1814), mocht in 1791 een nieuwe poging wagen. Beethovens compositie is echter de enige die repertoire gehouden heeft. Op 29 januari 1814 werd deze muziek bij een uitvoering van Egmont in het theater van Weimar, dat toen nog onder Goethe's leiding stond, gebruikt.
Beethoven had de muziek echter geschreven in opdracht van het Weense Burgtheater, dat het wilde gebruiken bij een uitvoering op 24 mei 1810. Helaas was de muziek bij de première nog niet klaar; Beethoven was begonnen met Clärchens liederen "Die Trommel gerühret" en "Freudvoll und leidvoll" en schreef later aan de Zwischenakte. Pas bij de opvoering van 15 juni 1810 werd de Egmontmuziek van Beethoven compleet gespeeld. Over deze Egmontmuziek schreef E.T.A. Hoffmann, de beroemde Beethovenrecensent:

Es ist wohl eine erfreuliche Erscheinung, zwei große Meister in einem herrlichen Werke verbunden und so jede Forderung des sinnigen Kenners auf das schönste erfüllt zu sehen".

Beethoven heeft er bij zijn uitgever Breitkopf & Härtel meerdere malen op aangedrongen een afschrift van de partituur aan Goethe te sturen, maar Goethe ontving deze, volgens zijn dagboek, pas op 23 januari 1812.

Op 19 juli 1812, een dag die volgens Max Unger "Ein Faustopernplan Beethovens und Goethes" (1952)

(...)in jeder Art Geschichtsbuch mit goldenen Lettern als einer der unvergänglichsten Tage deutscher Kultur verzeichnet sein (sollte)

ontmoeten Beethoven en Goethe elkaar in Teplitz, waar Goethe in het gezelschap was van "zijn" hertog Carl August. Na deze ontmoeting, waarover Goethe aan zijn vrouw Christiane (die in Karlsbad achtergebleven was) schrijft

Zusammengeraffter, energischer, inniger habe ich noch keinen Künstler gesehen. Ich begreife recht gut, wie er gegen die Welt wunderlich stehen muß

hebben de twee kunstenaars nog een aantal dagen in elkaars gezelschap doorgebracht.

A. Karpellus. Goethe und Beethoven in Teplitz. Ansichtkaart.
Bron: Goethezeitportal.

Deze ontmoeting, door Jochen Golz in "Meine Harmonie mit der Ihrigen verbunden" - Beethoven und Goethe (Ausstellungskatalog 1999) een "Sternstunde der Menschheit" genoemd, is beschreven door Bettina von Arnim in haar boek "Goethes Briefwechsel mit einem Kinde", waaruit het volgende bekende, maar opvallende verhaal.
Tijdens een wandeling kwamen Beethoven en Goethe keizerin Maria Ludovica van Oostenrijk en haar gevolg tegen, waarbij Goethe keurig opzij stapte en boog voor de aristocratie, terwijl Beethoven gewoon doorliep, waardoor de adel voor hem opzij ging. Bettina schrijft hierover in een brief aan Fürst Hermann von Pückler-Muskau:

(...) Indem kam auf dem Spaziergang ihnen entgegen mit dem ganzen Hofstaat die Kaiserin und die Herzoge. Nun sagte Beethoven: Bleibt nur in meinem Arm hängen, sie müssen uns Platz machen, wir nicht". Goethe war nicht der meinung, und ihm wurde die Sache unangenehm; er machte sich aus Beethovens Arm los und stellte sich mit abgezogenem Hut an die Seite, während Beethoven mit unterschlagenen Armen mitten zwischen den Herzogen durchging und nur den Hut ein wenig rückte, während diese sich von beiden Seiten teilten, um ihm Platz zu machen, und ihn alle freundlich grüßten. Jenseits blieb er stehen und wartete auf Goethe, der mit tiefen Verbeugungen sie hatte an sich vorbeigelassen. Nun sagte er: "Auf Euch hab' ich gewartet, weil ich Euch ehre und achte, wie Ihr es verdient; aber jenen habt Ihr zu viel Ehre angetan".

Jochen Golz schrijft daarover:

Nichts davon aber ist wahr, und Bettina bleibt nur das Verdienst, Komponist und Dichter aufeinander zugeführt zu haben.

Hoewel Bettina er niet bij is geweest - zij arriveerde pas 24 juli, één dag na het laatste samenzijn van Goethe en Beethoven, met haar man Achim von Arnim in Teplitz - kan het zijn dat zij uit Beethovens mond iets van de gang van zaken vernomen heeft, maar dit dichterlijk enigszins aangedikt heeft. Weliswaar schreef Beethoven op 9 augustus 1812 aan zijn uitgever:

Goethe behagt die Hofluft zu sehr, mehr als es einem Dichter ziemt.

maar Beethoven wist waarschijnlijk wel wat de omgangsvormen met de adel waren en zal in zijn bewondering voor Goethe waarschijnlijk niet, zoals door Bettina gesuggereerd, hem tijdens de wandeling de oren gewassen hebben over zijn "Höfischkeit".
Het verhaal heeft zich echter in het collectieve geheugen van de cultuurgeschiedenis genesteld, zoals blijkt uit deze ansichtkaart die gepost werd op bovengenoemd artikel van het Goethezeitportal:

Der Hofmann Goethe mit Beethoven in Teplitz. Ansichtkaart
Bron: Goethezeitportal.

Interessanter aan de ontmoeting tussen Beethoven en Goethe is dat volgens Max Unger "Ein Faustopernplan Beethovens und Goethes" tijdens deze ontmoeting sprake zou zijn geweest van een plan om een Faustopera te maken. Unger gaat in zijn korte monografie wat speculatief te werk als hij uit een Beethovenbrief van 24 juli 1812, afgedrukt in "Die Musik" XIX/7 (1927-2, pag.31) citeert:
Daß Goethe hier ist, schrieb ich Ihnen. Täglich bin ich mit ihm zusammen. Er verspricht mir etwas zu schreiben. (...) (cursivering van Unger)

Volgens Unger kan het bij die belofte van Goethe alleen maar om een operatekst zijn gegaan, daar Beethoven sinds 1806 (2e versie van Leonore/Fidelio) al op zoek was naar een nieuw libretto. Unger haalt vervolgens een tamelijk onbekende bron aan: een brief van Graf Otto Heinrich von Loeben aan Justinus Kerner van 29 augustus 1814. Daaruit citeert hij:

Wissen Sie auch daß unser Meister [Goethe] ein Drama für den 18. Oktober schreibt? Ich träume davon! Und daß Beethoven ihn veranlaßt hat, seinen Faust für die Musik zu gestalten? Wenn zwe solche Wesen nach einem Kranze streben, ihn dann vereint halten, lernt man wohl von der Rückkehr der Zeit olympischer Wettstreite reden!"

Volgens Unger had Loeben zijn kennis van het plan van Goethe zelf, daar hij in de winter van 1813/14 in Weimar was geweest en Goethe daar meerdere keren heeft bezocht. Over de Goetheverering van Graaf Loeben schrijft het Goethe Jahrbuch 1929, 15e jaargang op pag 59 ev. een aardig artikel.
Ook weet Unger de Stuttgarter "Morgenblatt für gebildete Stände" te citeren, die, twee jaar vóór het ontstaan van Egmont (dus al in ca 1807!) bericht:

Der geniale Beethoven hat die Idee, Goethes "Faust" zu komponieren, sobald er jemand gefunden hat, der ihn für das Theater bearbeitet. Daß er vor vielen anderen großen Beruf dahin hat, ist wohl nicht zu bezweifeln, und wir dürfen uns gewiß auf ein tief und wahr empfundenes Produkt seines Geistes Hoffnung machen.

Een brief van Beethoven aan Goethe van 28 januari 1812, een begeleidend schrjven bij de Egmontpartituur, is helaas niet bewaard gebleven, maar een half jaar later, van 19 tot en met 23 juli, moet Beethoven dus de kans hebben gehad zijn wens Faust te componeren mondeling aan Goethe voor te leggen.
Volgens Helga Lühning "Beethovens Annäherungen an Goethe" (in het eerder genoemde "Meine Harmonie mit der Ihrigen verbunden" - Beethoven und Goethe) is het idee dat Goethe zijn Faust zou hebben willen omwerken naar een operalibretto "völlig absurd":

Faust lag vor, und Beethoven hätte ihn so, wie es war, wie von Goethe konzipiert als Singspiel oder Oper eigener Provenienz vertonen bzw. vervollständigen und zu dem machen können, was Goethe eigentlich vorgeschwebt hatte: eine Art Welttheater, in dem die Musik einen noch viel gewichtigeren Part übernimmt als im Egmont

Het enige echte bewijs, volgens Lühning, dat Beethoven serieus overwogen heeft een Faustopera te componeren is een waarschijnlijk door Anton Schindler (1795–1864), Beethovens secretaris en biograaf, vervalste aantekening in een Konversationsheft van Beethoven, waar hij een in April 1823 gehouden gesprek met een niet geïdentificeerde persoon voert:

(...)ist diese Periode vorbei, so hoffe ich endlich zu schreiben was mir u[nd] der Kunst das höchste ist - Faust

Het woord "Faust" is hier door Schindler toegevoegd en in zijn Beethovenbiografie beschrijft Schindler dat Beethoven tot aan zijn dood met Schindler van gedachte bleef wisselen over een Faustopera. Helaas, volgens Schindler, was Beethoven door Fürst Nikolaus Galitzin volledig in beslag genomen "het ene strijkkwartet na het andere te schrijven".
Eén keer nog moet Faust bij Beethoven zijn opgekomen: als in 1822 uitgeverij Breitkopf & Härtel hem voorstelt toneelmuziek bij Faust te schrijven in dezelfde geest als voor "Egmont". Beethoven antwoordde:

Ha, (...) das wär' ein Stück Arbeit! Da könnt es was geben! (...) Aber (...) ich trage mich schon eine Zeit lang mit drei andern großen Werken.

Een Faustopera van Beethoven! Het had zo mooi kunnen zijn, maar het is er niet van gekomen. Zoals uiteindelijk Unger zal besluiten:

Erst der Tod hat hinter seine Bemühungen um die Erkenntnis von Goethes Hauptwerk, das einer seiner großen Lebensinhalte gewesen war, den Schlußstrich gezogen.


Op 26 juli 1812 vertrekt Beethoven uit Teplitz, tamelijk onverwacht na de euforische brief van 24 juli, "auf Anordnung seines Artzes" (vlgs Unger, p. 25). Beethoven had er duidelijk op gerekend Goethe nog een keer in Teplitz te treffen en hem de drie liederen Op.75 (die Goethe niet kende) voor te spelen. Goethe bleef met de hertog in Teplitz en keerde pas op 12 augustus naar Karlsbad terug. Daar ontmoet hij, op 8 september, nog één keer Beethoven.
Het laatste werk van Beethoven op een Goethetekst is "Meeresstille und Glückliche Fahrt, Op.112, uit 1814/15, "dem Verfasser der Gedichte, dem unsterblichen Goethe hochachtungsvoll gewidmet". Uiteraard stuurde Beethoven Goethe een exemplaar, maar Goethe reageerde niet. Ook op een latere brief van Beethoven, naar aanleiding van een verzoek tot bemiddeling bij de hertog voor inschrijving voor een exmplaar van de Missa Solemnis, gaf Goethe geen antwoord.
Het is zeker dat Beethovens bewondering voor Goethes dichtkunst groter was dan Goethes waardering voor Beethoven en ook heeft Goethe meer invloed op Beethoven gehad dan omgekeerd. Beethoven was waarschijnlijk al iets te "modern", te romantisch voor Goethe. Goethe gaf voor zijn gedichten de voorkeur aan de toonzettingen van Zelter boven die van Schubert, en Faust had hij, zoals bekend, het liefst door Mozart laten componeren. Uit een gesprek met Eckermann van donderdag 12 februari 1829:
"Toch", zei ik, "geef ik de hoop niet op dat er passende muziek bij Faust zal worden gecomponeerd.
"Dat is absoluut onmogelijk", zei Goethe. "Het afstotende, verschrikkelijke dat die muziek in sommige delen zou moeten vertolken, is niet in overeenstemming met de tijd. De muziek zou het karakter van Don Juan moeten hebben; Mozart had Faust kunnen componeren. Meyerbeer zou er misschien toe in staat zijn, maar die zou zich niet met zoiets inlaten, hij gaat veel te veel op in het Italiaanse theater.
Uit: Johann Peter Eckermann - Gesprekken met Goethe, vertaald door Gerda Meijerink. Privé-domein nr. 167