Goethe en Angelica Kauffmann.

Eigenlijk heet het boek dat ik zojuist gelezen heb over Goethe en de in haar tijd beroemde schilderes Angelica Kauffmann "Geträumtes Glück - Angelica Kauffmann und Goethe".

Het boek is een aanrader, al duurde het naar mijn gevoel even voor Naumann op gang kwam en ze de periode waarin Goethe en Angelica Kauffmann met elkaar in contact stonden (Tijdens Goethe's Italiaanse reis 1786-1788) pas relatief laat begint te beschrijven.
Kaufmann schilderde in 1787 een portret van Goethe, maar hier wil ik het graag hebben over het titelblad voor deel 8 van Goethes Schriften, als uitgegeven bij Georg Joachim Göschen in Leipzig.

"Die Komische und die Tragische Muse huldigen Goethe".
In een brief aan Goethe, gedateerd 10 mei 1788, schrijft Kauffmann:

Die Zeichnung für das Titelblatt habe ich mit einiger Veränderung etwas größer angefangen. Mir kam in Sinn wie ich Ihnen gesagt es selbsten auf das Kupfer zu bringen allein ich habe schon lange nichts radiert weiß nicht wie es ausfallen könnte und mit Proben könnte es sich zu lang verzögeren. Folglich möchte ich gerne wissen ob ich die Zeichnung (die dieser Tage wird fertig werden) dem Herrn Lips übergeben soll oder Ihnen zuschicken. Erwarte darüber Ihren Befehl-.
(Naumann 2012, pag 214, vlgs Angelica Kauffmann, Waltraud Maierhofer (Hrsg.): "Mir träumte vor ein paar Nächten, ich hätte Briefe von Ihnen empfangen". Gesammelte Briefe in den Originalsprachen. Lengwil am Bodensee, 2005

Uiteindelijk zou inderdaad Johann Heinrich Lips de gravure maken.
Angelica ontwierp dit met in het centrum de Goethebüste van Alexander Trippel. Goethe had Angelica een afgietsel van de büste cadeau gegeven. Goethe wordt gehuldigd door Thalia, de muze van de komedie, die met Amor aan het dollen is en haar attribuut (een komisch masker) bij hem vandaan houdt en aan de andere kant Melpomene, de muze van de tragedie. Vlgs Naumann heeft Angelica Kauffmann zichzelf in Melpomene gezien:

Die hohe Gestalt der Melpomene, in der sich Angelica selbst gesehen hat, wendet sich der Büste zu, blickt liebend, trauernd zu ihr auf. Den Menschen hatte sie verloren, geblieben war ihr das Bild des Dichters. Goethe hatte der Freundin einen Abguß der Büste zum Geschenk gemacht.
(Naumann 2012, pag 247)

Yvette Deseyve, die op het voortreffelijke Goethezeitportal de gravure op de pagina over Lips beschrijft, is het hier niet mee eens:

Die oftmals geäußerte Vermutung, in der tragischen Muse habe sich die Künstlerin selbst verewigt, lässt sich jedoch wissenschaftlich nicht belegen.

Interessant is nog dat op dezelfde pagina een afbeelding te zien is van een voorstudie. Deze bevindt zich thans in het Victoria and Albert Museum in London. Thalia en Melpomene zijn daarin omgekeerd en Deseyve schrijft dat volgens de nieuwste onderzoeken de uiteindelijke indeling tot stand is gekomen onder invloed van het schilderij van Anton Raphael Mengs uit 1761, dat als fresco in Villa Albani in Rome te zien is.

In het midden Apollo, patroon van de kunsten, links Mnemosyne, moeder van van de muzen en vervolgens Thalia), Calliope (de muze van het heroïsch epos, de filosofie en de retorica), Polyhymnia (de muze van de retoriek en de gewijde liederen) and Terpsichore (de muze van de dans en de lyrische poëzie). Rechts de muzen Clio (de muze van de geschiedschrijving), Erato (de muze van de hymne, het lied en de lyriek), Euterpe (de muze van het fluitspel), Melpomeneen Urania (de muze van de sterrenkunde).

Naumann stelt nog dat Angelica Kauffmann ook verwijst naar Goethe als lid van het Arcadisch genootschap in Rome, de "Accademia degli Arcadi", waarin Goethe op 3 januari 1787 (4 januari vlgs Marinus Pütz in de prachtige Boom-uitgave van Goethe's Italiaanse Reis, vertaald door Wilfred Oranje) werd opgenomen onder de herdersnaam Megalio en hij de (fictieve) streek Melpomenië kreeg toegewezen, en naar de dichters-kronig in Tasso (Naumann 2012, pg 247).


Het boek van Ursula Naumann leidde mij ook naar de roman "Faustinas Küsse" van Hanns-Josef Ortheil. Hierin wordt Goethe vanuit het perspectief van de romanfiguur Giovanni Beri tijdens zijn verblijf in Rome gevolgd. Kauffmann komt er in deze roman niet al te best vanaf. Ook de scene waarin Goethe wordt opgenomen in het Arcadisch genootschap wordt beschreven. Met natuurlijk meer Dichtung dan Wahrheit.
De titel van het boek, en ook de tekst op de achterflap, lijkt te suggereren dat het boek handelt over Goethe's relatie met Faustina (de fictieve naam van Goethe's geheime geliefde in Rome). Dat valt tegen: pas de laatste 70 pagina's van het boek, dat ook overigens in een bijzonder traag ritme is geschreven, komt Goethe met Faustina in contact.

Tot slot: Angelica Kauffmann is voor mij altijd een beetje verbonden met Schwarzenberg, in het Bregenzer Wald, Oostenrijk. Ik ben daar een paar keer op vakantie geweest en de prachtige barokkerk is door Angelica en haar vader voorzien van schilderijen. O.a. het hoogaltaar is van Angelica en enige afbeeldingen van de apostelen.
©George Overmeire 2014

Temidden van al die barokke pracht en praal staat een monument voor Angelica, met op de voet de tekst:

Sie war als Mensch, als Christ, als Künstler gross auf Erden
Willst du hie und dort dir und andern nützlich werden?
Wie sie, Ehre, Ruhm, Reichtum, Ruh, Vergnügen haben?
Schaetze Tugend, benütz Talent, des Schöpfers Gaben.