Goethe en muziek

Johann Wolfgang Goethe werd op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main geboren. Zijn leven was vol muziek en vaak genoeg heeft Goethe zelf muziek een onmisbaar bestanddeel van zijn leven genoemd. Goethe's grootvader Friedrich Georg Goethe was in Frankfurt bekend als fluitist en heeft wellicht connecties met de componist Telemann gehad. Goethes vader speelde luit, zijn moeder piano en Goethes zuster Cornelia zong. In Goethes geboortehuis aan de Hirschgraben was een muziekkamer. Uit het kasboek van Goethes vader blijkt dat de familie regelmatig naar abonnementsconcerten ging.
Als 14-jarige kreeg Goethe pianoles bij J.A. Bisman waar hij ook de beginselen van de muziektheorie leerde. In 1770/1771heeft hij bij de cellist Basch in Straßburg verder gestudeerd. Er is wel gesuggereerd dat hij weinig van muziek wist en geen noten kon lezen, maar getuigenissen uit Goethes eigen tijd vertellen dat hij tamelijk goed piano kon spelen, vloeiend muziek kon lezen en zich een eenvoudige partituur kon voorstellen.
Op 18 augustus 1763 hoort de bijna 14-jarige Goethe de dan 7-jarige Wolfgang Amadeus Mozart en zijn zuster Nannerl in Frankfurt spelen.
In 1765 schreef Goethe zijn eerste operalibretto: "La sposa rapita", dat hij later heeft vernietigd. In datzelfde jaar begon Goethe aan zijn rechtenstudie in Leipzig, hij kwam terecht in de literair-muzikale kring van J.A. Ernesti, Chr.F. Gellert, J.Chr. Gottsched, Chr.F. Weisse etc. Ook maakte hij kennis met de familie Breitkopf, waar hij fluit speelde en de componist J.A. Hiller leerde kennen, wiens Singspiele (o.a. "Die Jagd") een blijvende indruk op hem gemaakt hebben. Ook ontstonden in Leipzig de "Lieder mit Melodien", die hij in 1767 aan Friederike Oeser gaf en in het in 1768 voltooide herdersspel "Die Laune des Verliebten", een toneelstuk met Musikeinlagen.

In 1768 is Goethe ziek thuis in Frankfurt. Hij wordt verzorgd door zijn moeder en haar vriendin Susanna von Klettenberg, die Goethe in contact brengt met natuurmystieke en alchemistische geschriften, waardoor hij het idee krijgt voor "Faust". Johanna Fahlmer, een vriendin van Goethe, probeert in die tijd Gluck als componist voor Goethe te interesseren. Dat lukt helaas niet, hoewel Gluck zijn bewondering voor Goethe uitspreekt.
Herfst 1769 verschijnen in Leipzig 20 gedichten van Goethe in "Neue Melodien, gesetzt von Bernhard Theodor Breitkopf".
In 1770 voltooit Goethe zijn rechtenstudie in Straatsburg. Hij maakt kennis met Herder; zijn interesse in Volksliederen inspireerden Goethe tot een verzameling 12 volksliederen uit de Elzas: "Aus den Kehlen der ältesten Müttergens"; de melodieën werden op Goethes aanwijzingen door zijn zuster Cornelia opgeschreven. Zijn verblijf in Sesenheim leidde tot zijn relatie met de domineesdochter Friederike Brion, waarvoor hij de "Sesenheimer Liedern" schreef.
Goethes muzikale leven kan hoofdzakelijk in vijf perioden worden onderverdeeld, waarbij steeds één componist zijn muzikale leidsman was.(Moser)

  1. Joh. André (1766 - 1776)
  2. Philipp Christoph Kayser (1777 - 1787)
  3. Joh. Friedrich Reichardt (1788 - 1798)
  4. Carl Friedrich Zelter (1799 - 1824)
  5. Felix Mendelssohn Bartholdy (1825 - 1832)

In Weimar werkte Goethe daarnaast nog met E.W. Wolf, W. Ehlers, K. Eberwein, C. Moltke, J.N. Hummel, en vanuit de verte hebben Gluck, Mozart, Beethoven en Schubert werk van Goethe gecomponeerd, zonder dat het tussen deze grootheden tot intensieve samenwerking kwam.
Tijdens zijn verblijf in Frankfurt als advocaat ontstond in 1771 de eerste versie van Götz von Berlichingen. Uit zijn omgang met de "Gemeinschaft der Heilingen" uit Darmstad ontsond de parodie "Concerto dramatico". "Wanderers Sturmlied" uit 1772 is de eerste van een reeks grote en vaak getoonzette dithyramben; uit dezelfde tijd stammen de eveneens voor componisten populaire "Mahomet's Gesang", "Ganymed", "An Schwager Kronos", "Prometheus", balladen zoals "Der König in Thule", romances als "Es war ein Buhle" etc.
Goethes kennismaking met de Opéra Comique dateert reeds van 1762-1765. Tussen 1771 en 1777 trad de groep van Marchand geregeld in Frankfurt op met Opéras Comique van Monsigny, Philidor en Grétry, Singspiele van Hiller, Neefe, Benda e.a. "Töpfer" van J. André werd de "hit" van 1773 en inspireerde Goethe tot het schrijven van zijn eerste eigen Singspiel: "Erwin und Elmire", waaraan hij in ieder geval in december 1773 werkte. Het kan zijn dat Goethe en André elkaar al sinds 1764 kenden en André heeft dan ook een aantal van Goethes Singspiele en liederen gecomponeerd.
De eerste Zwitserse reis en de periode Lili Schönemann (1775) waren de inleiding tot een nieuwe toon in Goethes Lyriek: de rechtstreekse natuurbeleving, de geestdrifitge melodieusheid van zijn taal, het ritme en de gevoelswarmte hebben meer dan anderhalve eeuw musici geïnspireerd.
In 1774 leert Goethe de dan 20-jarige Ph.Chr. Kayser kennen. Vanaf 1779 werd de band tussen Goethe en Kayser bijzonder hecht en werd Kayser Goethes belangrijkste muzikale adviseur en vertrouwenspersoon. In het in 1777/1778 verschenen Liedboek dat Goethe liet samenstellen door de Hofmusicus Wiener, zijn 72 composities van Kayser te vinden, 13 van Seckendorff. Goethe liet Kayser de muziek schrijven voor "de tweede versie van "Erwin und Elmire" (waarschijnlijk werkte Kayser ook al aan de oorspronkelijke versie) en gaf hem opdracht voor de muziek voor Egmont. In 1781 woonde Kayser bij Goethe in Weimar en ze waren samen in Rome tussen 1786 en 1788, waarna ze gezamelijk terugreisden naar Weimar. Eind 1788 kwam er aan de vriendschap een einde.
Sinds zijn verhuizing naar Weimar in 1775 was Goethe behalve in literaire kringen ook bij het hoftheater betrokken. Het theater was eind 1775 afgebouwd en sinds 1776 was Goethe intensief voor het theater werkzaam. Voor de dood van Gluck's nicht Marianne schreef Goethe het monodrama Proserpina (1776). In 1777 ontstond "Triumph der Empfindsamkeit", in de tweede versie van dit werk uit 1780 werd Proserpina verwerkt. In 1779 erkt Goethe samen met Corona Schröter bij de première van de eerste versie van Iphigenie in Weimar. Op 7 januari 1780 werd het nieuwe theater in Weimar geopend.
Vanaf 1782 ontstonden de volgende voor de muziek belangrijke werken: de liederen die later in "Wilhelm Meister" ingepast zouden worden (en tot de meest gecomponeerde gedichten behoren), in 1781/82 Erlkönig (door Corona Schröter als eerste op muziek gezet).
In 1784 nam het theatergezelschap van Bellomo het theater van Weimar over en speelde daar tot 1791 drie keer per week voorstellingen, waardoor Goethe in contact kwam met werk van Piccinni, Anfossi, Cimarosa, Paisiello, Martin, Soler, Salieri, Schweitzer, Benda, Gluck, Mozart, Dittersdorf, Grétry, Monsigny e.a. Van 1791 tot 1817 had Goethe als toneel en operadirecteur de leiding van het theater.